De rust bewaren

Rust is voor veel mensen een gevecht. Steeds weer zijn daar, zonder dat we het willen,
die vuisten vol zwoegen in plaats van die handvol rust. Steeds weer denken dat we dit of
dat nog nodig hebben of moeten bereiken om dit leven als geslaagd of betekenisvol te
kunnen beschouwen.

Zo hollen we de decembermaand in, zonder de ster boven de stal op te merken. Pas op
25 december komen we hijgend tot stilstand bij het Kind in de kribbe. En als we
neerknielen bij die kribbe merken we ineens hoe onrustig ons hart is en hoe vaak dat
hart het afgelopen jaar niet tot rust is gekomen bij God.

Wie acht uur werkt en acht uur slaapt, heeft acht uur over om te bidden, zegt
Benedictus van Nursia. Hij kende de eeuwige onrust van de mens en ontwierp zijn
leefregel zo dat de kloosterlingen de rust van God binnen konden gaan. De rust van
genade, van vergeven zijn. De rust van genoeg hebben en goed genoeg zijn. De rust van
in het zorgeloze hier en nu zijn.

Dankzij de getijdengebeden leren de Benedictijnen de kunst van het stoppen. Als de bel
luidt voor de zoveelste gebedstijd van die dag, leggen de Benedictijnen hun werk neer, af
of niet af. In de kapel komen ze tot rust en ontdekken ze wie ze ook alweer waren:
kinderen die niet te groot van zichzelf hoeven te denken omdat hun Vader altijd groter is.